Langelijnvisserij (ook wel vertaald als longline-visserij of longlijnvisserij) is een visserijtechniek die gebruikt wordt door beroepsvissers in de zeevisserij. Hierbij worden lange dunne kabels gebruikt, de zogenaamde hoofdlijn. Aan deze hoofdlijn zitten zijlijnen met haakjes en aasvis.

In de langelijnvisserij kunnen -afhankelijk van de beviste soorten- de hoofdlijnen op verschillende manieren in het water worden neergelaten: zwevende net onder het wateroppervlak, of juist dicht op de zeebodem, vast aan een anker, of juist vrijzwevend. Eén hoofdlijn kan bestaan uit honderden of duizenden zijlijnen met aas. De langelijnvisserij richt zicht meestal op zwaardvis, tonijn, Pacifische heilbot (de gewone heilbot is inmiddels een bedreigde diersoort), zwarte kabeljauw, kabeljauw, schelvis, koolvis en nog veel meer soorten. Bij de visserij op Antarctische diepzeeheek (ook wel Patagonische tandvis genoemd bij letterlijke vertaling uit het Engels) zijn beperkingen ingesteld en mogen er niet meer dan 25 haken aan een lijn zitten. Daarentegen worden door de grootschalige beroepsvisserij in de Beringzee en het noordelijk deel van de Grote Oceaan kilometers lange lijnen gebruikt, met meer dan 2500 haken met aas.[1] Noorse vissers gebruikten tot eind jaren negentig lange lijnen om op de Noordzee op haringhaai te vissen.